Podcast27 juli 20265 min

Netwerken is niet wat je denkt, en zeker niet wat je vreest.

Waarom het clichébeeld je afschrikt, en hoe een echt netwerk opbouwen wél werkt. Ook als je jezelf niet zo sociaal vindt.

Zeg het woord "netwerken" tegen een startende freelancer en je ziet iets in hem verkrampen. Het beeld dat meteen opduikt: een zaal vol vreemden, een glas cava dat lauw wordt in je hand, geforceerde small talk, en een stapel visitekaartjes die je diezelfde avond al kwijt bent. "Dat is niks voor mij", denk je dan. "Ik ben daar niet goed in."

Goed nieuws: je hebt gelijk. Dat soort netwerken is inderdaad niks voor jou. Het is voor bijna niemand iets. En het werkt ook nog eens niet.

In onze podcast aflevering noemt netwerkexpert Astrid Versieck het zelfs "de leugen van het netwerken". Dit artikel is de verdieping ernaast: waarom netwerken zo'n slechte reputatie heeft, en wat het eigenlijk is als je het cliché wegdenkt.

 

Waarom netwerken "vies" voelt

Eerst even je slechte gevoel serieus nemen, want het is geen karakterfout. Het is wetenschappelijk onderbouwd.

Onderzoekster Tiziana Casciaro toonde met haar collega's aan dat mensen zich na puur instrumenteel netwerken, netwerken met als enige doel er zelf beter van te worden, letterlijk moreel vuil voelden. Netwerken om te netwerken laat een smaak achter alsof je iets oneerlijks hebt gedaan.

Dat ongemak is dus geen teken dat je slecht bent in netwerken. Het is een gezond signaal dat er iets niet klopt aan de transactionele versie ervan. "Wat kan ik uit deze avond halen? Hoeveel leads?", precies die ingesteldheid maakt het vies. En, zoals Astrid benadrukt: precies die ingesteldheid werkt ook het slechtst.

Maar netwerken is niet wat je denkt

Hier zit de kern. Een netwerk is geen stapel kaartjes en geen zaal vol vreemden. Een netwerk is de losse web van mensen die je kent, en die jou kennen. En dat web is waardevoller dan je denkt, vooral de losse draadjes.

Socioloog Mark Granovetter ontdekte al in de jaren zeventig wat hij "the strength of weak ties" noemde: de kansen die je carrière veranderen komen vaker van losse kennissen dan van je beste vrienden. Logisch, als je erover nadenkt. Je goede vrienden kennen ongeveer dezelfde mensen als jij. Een vage kennis daarentegen zit in een andere kring, hoort andere dingen, en opent deuren waar jij niet eens van wist dat ze bestonden.

Astrid vat het bondig samen: "Het is niet wat je doet, maar wie je kent." En het mooie: dat betekent dat je waarschijnlijk al een netwerk hebt. Je oud-klasgenoten. Je vroegere collega's. De mensen die je onderweg tegenkwam. Daar zit de waarde, niet in de vreemden op dat event.

 

De omkering: van halen naar geven

Als de transactionele versie zich vies aanvoelt, wat is dan het tegengif? Omdraaien. Niet vragen wat je eruit kunt halen, maar wat je kunt betekenen.

Dat is geen zweverige moraal, het is gewoon hoe het werkt. Astrid noemt het de gunfactor: als je vandaag iemand helpt zonder er iets voor terug te vragen, bouw je iets op waar later, soms jaren later, iets uit terugkomt. Ze ziet zichzelf niet als iemand die opdrachten jaagt, maar als iemand die mensen aan elkaar verbindt. Breng de juiste twee personen samen, en er ontstaat iets waar iedereen beter van wordt, inclusief jij.

Onderzoek naar succesvolle "givers" wijst dezelfde richting uit: wie structureel eerst geeft, bouwt op lange termijn het sterkste en meest gulle netwerk. Niet omdat het een slimme truc is, maar omdat mensen dat voelen en onthouden. Geven haalt de ick eruit én levert het meeste op. Twee vliegen in één klap.

Kwaliteit boven kwantiteit

En dan het deel dat elke twijfelaar wil horen: je hoeft geen zaal van tweehonderd mensen te bewerken. Sterker nog, dat is net de minst effectieve manier.

Astrid vertelt hoe ze op een klassiek event van die tweehonderd mensen er misschien vijf echt sprak. Daarom bouwde ze iets anders: een community waar mensen samen dingen doen, een workshop volgen, een retreat meemaken, ergens samen aan werken. Wie samen iets beleeft, heeft meteen een band. Dat is een heel andere connectie dan een kaartje dat je uitwisselt tussen twee happen.

Voor wie zichzelf introvert of "niet zo sociaal" noemt, is dat bevrijdend nieuws. Je hoeft geen kamer te charmeren. Je hebt een handvol echte connecties nodig en een plek waar je je thuis voelt. Diepte verslaat breedte, elke keer.

Waar je begint

Voel je je nog steeds onwennig? Begin dan klein, en dichtbij.

Start met wie je al kent. Je oud-collega's, je klasgenoten, de mensen uit je vorige job, dat is je eerste netwerk, en het kost je geen enkel event. Mik niet meteen te hoog: Astrid waarschuwt voor de dure, hooggeplaatste clubs vol kliekjes waar je je als starter verloren voelt. Zoek liever een community of een groep waar je je op je gemak voelt, want daar durf je jezelf te zijn — en dat is waar echte connecties beginnen.

En vooral: geef eerst. Verbind twee mensen. Deel iets nuttigs. Help zonder factuur. Het voelt trager dan meteen pitchen, maar het bouwt iets wat een kaartje nooit doet.

Tot slot

Je hoeft geen netwerkdier te worden dat cava drinkt en kaartjes uitdeelt. Die versie mag je gerust laten voor wat ze is, ze is toch een leugen. Echt netwerken is iets veel eenvoudigers: nuttig zijn voor mensen, over tijd, en dat laten terugkomen.

Dat kan iedereen. Ook jij. 

Het volledige gesprek met Astrid Versieck hoor je in de aflevering "De Leugen van het Netwerken" van Tussen de Regels.